



CiteerDe Dunstrische wachten waren bij de ingang van de koninklijke citadel verzameld en de bevelhebber baande voor zichzelf en Caldric een weg door de soldaten.
De grote statige hal was een ware ravage. De poort lag op de grond, de wandtapijten waren door de luchtverplaatsing van de muren gerukt en daar waar Vonkjes staart even uit de bocht was gegaan, waren hele stukken van de muur naar beneden gekomen.
Caldric zag het enorme, geschubde lijf van de draak in de troonzaal en hoopte dat het dier de adviseur niet had geroosterd. Het zou een stuk van zijn plezier bederven.
Maar Lystar stond nog steeds op dezelfde plek en Vonkje hield hem in het oog als een valk die naar een veldmuis loert. De kroon stond nog op Lystars hoofd – schots en scheef als de muts op het hoofd van een kleine jongen – , want telkens wanneer hij zijn hand naar zijn hoofd bracht om de kroon af te zetten, begon de draak vervaarlijk te grommen en dampten er witte wolkjes uit zijn neusgaten.
Voor het eerst zag Caldric opluchting op het kille gezicht van Lystar toen hij samen met kapitein Kalvaran de troonzaal betrad.
'Een nieuw vriendje gemaakt, Lystar?'
'Jij schurftige hond!' schreeuwde Lystar. 'Roep je draak terug of ik laat hem aan een speer rijgen!'
Maar Caldric grijnsde alleen maar gezapig en zei: 'Dit is niet mijn draak. Bovendien zou ik maar oppassen wat ik deed. Draken hebben de neiging om de hele inhoud van hun methaanblaas te ledigen wanneer ze sterven – een vurige dood als u het mij vraagt.'
